vrijstaande woning 2

Eigenaar dijkwoning heeft recht op lagere WOZ-waarde

HomeJurisprudentieEigenaar dijkwoning heeft recht op lagere WOZ-waarde
vrijstaande woning 2

Wanneer sprake is van een dijkwoning, is er grote kans dat een deel van de grond onder een uitzonderingsbepaling valt en niet bij de waardering van de WOZ-waarde kan worden meegenomen. Dat deel van de grond hoort in dat geval tot het waterverdedigingswerk. Dat deel van de grond wordt ook wel de kernzone genoemd en behelst de dijk zelf en een zekere uitloop van de dijk. In de Keur, de Legger en de onderliggende kaarten is bepaald welk deel van de dijk onder de kernzone valt. Het waterschap beheert, immers, die waterverdedigingswerken. De eigenaar van de dijkwoningen heeft dan ook met beperkingen en onzekerheden op zijn perceel te maken. Op grond van de Legger en de Keur heeft het waterschap dan ook het beheer over de kernzone als het bijvoorbeeld gaat om gewoon en buitengewoon onderhoud. Ook de bestrijding van muskusratten valt bijvoorbeeld onder het beheer. Om die reden kan het deel van het perceel dat onder de kernzone valt niet mee worden gewaard en is een vrijstelling van toepassing. De WOZ-waarde dient daarop te worden afgestemd.

De Hoge Raad heeft daaromtrent het volgende overwogen:

‘Artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 18, lid 4, van de Wet waardering onroerende zaken. Op grond van die wetsbepaling kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan. Uit deze twee voorschriften, in onderlinge samenhang beschouwd, volgt dat indien een onderdeel van een onroerende zaak behoort tot een waterverdedigingswerk als bedoeld in voormeld artikel 2, lid 1, letter f, de aan dat onderdeel toe te rekenen waarde buiten beschouwing moet worden gelaten, dit met uitzondering van de tot dat verdedigingswerk behorende delen van de onroerende zaak die dienen als woning. Anders dan de middelen betogen mag in een zodanig geval niet buiten aanmerking worden gelaten de waarde van de onderdelen van een onroerende zaak die niet tot het waterverdedigingswerk behoren. Met zijn door de middelen bestreden oordeel heeft het Hof het vorenoverwogene niet miskend. Dit oordeel geeft ook anderszins geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De eerste twee middelen falen derhalve.’

Heeft u vragen over de WOZ-waarde? Neem gerust contact op met onze WOZ Juristen.